donderdag 27 februari 2014

Opdracht 2 H4

Opdracht 4.2 leesdossier 

Marco legt geschrokken de telefoon op de tafel. Langzaam dringt het allemaal nog een keer tot zich door. Ramon, zijn vriend, een monster. Hij zakt langzaam op de dichtstbijzijnde stoel. Hij denkt aan alle keren dat Jeroen hem pestte, maar dat was nooit met messen of gebroken armen. En Ramon heeft zijn beste vriend bedreigd. Marco voelt zijn keel al wat dichtknijpen. Hoe moet hij dit ooit oplossen? Als hij niks doet, zal het alleen maar erger worden. Straks gebeurt er echt een ongeluk. Kevin heeft niet vertelt hoe hij van Ramon afkwam. Maar hij durft hem ook niet opnieuw te bellen, dat zou wel heel stom overkomen. En om nou naar een leraar te stappen, dat is zo kinderachtig. En trouwens, ze zouden ons toch niet geloven. Met Ramons onschuldige gezicht, zal dat nooit lukken. Nee, we moeten dit zelf oplossen, als een klas. Want nu Jeroen bang is, kan ik hem wel aan mijn kant krijgen. Iedereen is bang voor hem. 
Maar wacht, als ik nou film wat hij doet, en dat aan de leraren laat zien, dan sturen ze hem vast van school. Ja, dat is een goed idee. 

Een paar dagen later is het weer zover. Iemand liet Ramon per ongeluk struikelen. Niemand had echt gezien wie het was, maar Jeroen stond het dichtst bij. We wisten allemaal dat hij dat nooit zou durven, na wat Ramon bij hem heeft gedaan. Maar voor Ramon was dat geen excuses om hem niet  te bedreigen. 

'Heey, wat doe jij?! Waarom laat jij mij vallen? Vond je een verbrande tas niet genoeg?' Ramon pakt Jeroen bij z'n kraag, terwijl Jeroen hem angstig aankijkt. Marco probeert snel zijn camera te pakken, maar Ramon kijkt net om en ziet dat Marco verschrikt de camera laat vallen. ' Wou jij mij filmen? Jij kleine verrader!' Ramon laat Jeroen los en hij valt half op de grond. Behalve het gekrabbel van Jeroen is het doodstil. 'Nee, nee na..natuurlijk niet,' zegt Marco, half stotterend van angst. Maar Ramon gelooft hem niet: 'Ik ben voor je opgekomen, je beschermt, en dit krijg ik ervoor terug? Wie denk je wel dat ik ben? Maar maak je geen zorgen, straks zul je je niet eens kunnen herinneren wie ik ben, nadat ik met jou klaar ben.' Marco probeert naar achteren te lopen, maar ze weten allebei dat er een muur is. Het enige wat Marco kan doen, is genadeloos toekijken hoe Ramon hem in elkaar zal slaan. In plaats daarvan voelt hij twee koude handen om zijn hals grijpen en voelt hij zijn keel dichtknijpen. Hij probeert de handen weg te halen, maar ze zijn veel te sterk, en Marco voelt zijn kracht ook verdwijnen. Opeens hoort hij in de verte een stem, schreeuwend, en hoort mensen roepen. Dan wordt alles zwart. 

Marco probeert zijn ogen open te krijgen, en met moeite ziet hij een straaltje licht. Na wat knipperen ziet hij scherper en probeert om zich heen te kijken. Opeens begint iemand tegen hem te praten. 'Marco, Marco! Hoor je mij?' Marco laat een soort brom uit zijn luchtkas ontsnappen, en de man (de stem was duidelijk van een man) begint weer te praten:'Marco, het is goed. Je bent op de gang, waar er iets was gebeurt tussen jou en Ramon. Weetje nog wat er is gebeurt?' Marco denkt na. Als hij die ruzie bedoelde, en dat Ramon hem bijna vermoorde, dan zal hij het later mogen hopen dat hij dat snel kan vergeten. Weer geeft hij een brom ter bevestiging. 'Ramon is geschorst, en zal ook niet meer terug komen. Jeroen had vertelt wat hij jullie heeft aangedaan. Ik snap niet dat jullie het niet kwamen vertellen.' Oja, denkt Marco, dat zal dan wel de engels docent zijn. Altijd zo "betrokken" bij ons. Met moeite hijst Marco zich overeind en kijkt om zich heen. Er staan allemaal mensen te kijken, maar dat boeit hem niet zoveel. Het liefst wil hij naar huis. Als hij eindelijk helemaal staat, krijgt hij een goed gevoel over zich heen. Het is klaar. Het is over. 

maandag 24 februari 2014

Opdracht 2 H3

Opdracht 2 fictie dossier

Ik word weer wakker. Het ruikt nog steeds naar schoonmaakmiddelen. De tl buizen verblinden mijn ogen een beetje, dus ik knipper tot ik gewend ben aan het licht. Er is niemand in de kamer. Niet dat ik dat erg vind, ik vind het fijn om alleen te zijn. Kan ik eindelijk nadenken over wat er is gebeurt. Ik probeer me te herinneren wat ik heb meegemaakt, maar verder dan een gebroken hak kom ik niet. Eerlijk gezegd heb ik niet echt zin om erover na te denken. Ik doe mijn ogen weer dicht. Ik ben zo moe, ook al heb ik het gevoel dat ik al dagen slaap. Dan hoor ik de deur opengaan. De gedachte om mijn ogen weer te openen maken me nog vermoeider dan ik al was. Toch probeer ik het, en wonderlijk genoeg lukt het ook nog. Het licht van de tl buis zijn mijn ogen gewend, en ik probeer om me heen te kijken. Als ik om kijk, zie ik een jongen staan. Nathan. Eigenlijk zou ik hem moeten haten, me omdraaien en zeggen dat hij weg moest gaan, maar onder in mijn buik voel ik de vlinders komen. Ik kijk hem aan, en ja hoor, ik val weer  als een blok voor hem. Hij gaat zitten op een van de witte stoelen naast mijn bed. Hij zegt niets, en kijkt naar hoe ik in het bed lig. Hij weet het. Ik weet het ook. Ik kijk ook naar mijn lichaam. Mijn benen. Nou ja, benen, eerder stukken huid. Geen idee wat ze zijn, maar mijn benen zijn het niet meer. Ik kijk hem weer aan. 'Ik...'. Hij stop met praten. Hij kijkt weg, en ik weet ook niet goed wat ik moet doen. Ik ben boos, ja, en dat is ook terecht. Dat weet hij ook, en ik denk dat hij daarom ook niets durft te zeggen. Ik hoor de deur weer open gaan. Moeilijk kijk ik omhoog. Ik heb niet echt zin in nog meer gezelschap. Als ik zie wie de kamer in loopt, schrik ik een beetje. Het is mijn vader, en hij kijkt woedend naar Nathan. Ik probeer de situatie te verbeteren door te zeggen dat mijn vader weg moet gaan. 'Pap, wil je....' Maar hij praat door mijn zin heen. 'Heb jij enig idee wat je haar hebt aangedaan?!' Hij praat niet echt hard, eerder dreigend. Ik heb liever dat hij boos wordt dan dit. 'Heb jij enig idee wat voor een klootzak jij bent!' zegt mijn vader op een nog dreigendere toon. 'Pap, alsjeblieft, ga weg' zeg ik. Hij kijkt me aan, en ik zie zijn blik in zijn ogen veranderen. 'Oké, zegt hij,' maar als hij ook maar 1 ding verkeert doet.' Als ik de deur hoor dichtvallen, begint Nathan te vertellen. Hoe erg het hem spijt, wat er gebeurde, alles. Ik heb het moeilijk als hij vertelt. Alles komt weer terug, en het is een beetje alsof ik weer het ongeluk meemaak. Als hij klaar is met vertellen, wil ik alleen zijn. Als ik dit keer weer de deur dicht hoor gaan, barst ik in tranen uit.